het orgel in de kapel ‘Ten Eikenen’ te Zonhoven2003
Het orgel in de kapel van Ten Eikenen te Zonhoven.Even buiten het centrum van Zonhoven ligt de oude gotische Kapel van O.L.V. Ten Eikenen. In deze gerestaureerde en beschermde éénbeukige kapel bevond zich vanouds wel een doksaal maar geen orgel. Een plaatselijk comité ijverde jarenlang voor een stijlvol nieuw instrument voor dit druk bezocht Mariaoord.
|
| Hoofdwerk II C-f ’’’ 54 tonen | Positief I C- f ’’’ 54 tonen | |
| Bourdon 8’ | Traversfluit sup. 8 | |
| Montre sup. 8’ | Holpijp 8’ | |
| Prestant 4’ | Houtfluit 4’ | |
| Octaaf 2’ | HW Klavier | Nazard 2 2/3’ |
| Mixtuur III-II | Pos Klavier | Doublette 2’ |
| Cornet III | Terts 1 3/5’ | |
| Kromhoorn bas. | Larigot 1 1/3’ | |
| Kromhoorn sup. | Tremulant |
Pedaal C-f ’30 tonen Aangehangen aan hoofdwerk (II)
Tremulant. Inliggend naar Dom Bedos.
Winddruk: 65 mm wk
Twee klavieren met 54 tonen( c tot f’’’) ingebouwd aan de achterzijde het hoofdwerk (II) als staartklavier, het positief (I) met balanspunt in het midden. Raamwerk in eiken en de toetslatten in grenen, de hele tonen belegd met buxus, de halve tonen in ebben met beenstrip. Bakstukken en lijstwerk ebben met benen sierstrips. Registerknoppen in buxus met ebben centerpunt. Registeropschriften handgeschreven op perkament. Er is geen manuaalkoppeling.
Pedaal in eikenhout, aangehangen aan het hoofdwerk.
Klaviertractuur hoofdwerk via wellenbord aan de klep achteraan de lade, diskant klavierdeling rechtstreeks naar de lade. Wellenbord voor de laagste tonen in eik met vierkante ijzeren wellen in koperen wellenhouders, assen in inox. Abstracten in eik afstelbaar d.m.v. ledermoeren. De chromatische positieflade wordt bediend via de toetsbalans over een tweede waaiervormig opgestelde balans die de kleppen bediend.
Het pedaal is aangehangen aan het hoofdwerk via een wellenbord, de mechaniek wordt omhoog geveerd door de staartbalans onder de pedaaltoets. Deze mechaniek beweegt dus niet bij het klavierspel.
Registertractuur in ijzer op eiken banken Hw met enkele wals op schuinsliggende bank. Het positief trekt via staartbalansarm naar korte sleepwalsen.
Volledig in eikenhout met gesponseld fundament, ceder cancelscheien. Per lade werden drie werkvoegen voorzien om vochtverschillen op te vangen. Afdichting onderzijde met runderperkament, afdichting gegrafiteerde slepen met vilschijven op tafel en stok.
Bij het hoofdwerk werden de laagste 16 tonen gesplitst in C en Ciskant kleppenkast achteraan. Het positief is volledig chromatisch ingedeeld met de kleppenkast onder de lade te bereiken via de kastvoet. Uitneembare kleppen in eik en lederpulpeten met wilgenhouten schalmstokjes.. Conducten in gevernist lood. Stokken vastgezet d.m.v. inox schroeven.
Ventilator in eiken omkasting in de traphoek van het doksaal, grenen windkanaal naar rolgordijnregelaar en eiken balg met één inslaande vouw in de kastvoet onder het klavier. Inliggende tremulant voor de kanaalsplitsing en dus functioneel op het gehele werk .
Metalen pijpwerk
Front 85 % tin.
Binnenwerk 95 % lood
Houten pijpwerk; grootste pijpen in ceder kleine vanaf 1’ eiken. Voorslagen in eik en vastgelijmd, stoppen en handgrepen eveneens in eik. Open houten pijpwerk met stemlapje in orgelmetaal.

Pijpwerk van het hoofdwerk

Pijpwerk van het positief
Er werd bewust gestreefd naar een klankbeeld dat historisch gezien niet of nauwelijks voorkomt in onze streken.
In de periode tot vlak voor de Franse revolutie hadden de grote Luikse bouwers zoals Le Picard en Robustelly nog heel veel werk en bouwden grote en middelgrote instrumenten. Deze bloei kwam met een schok tot stilstand gedurende de laatste jaren van de 18 de eeuw.
Het zou tot de vroege Clerinx (rond 1840 ) duren vooraleer er een duidelijk herstel van de orgelbouw plaatsvond.
In tussentijd werden veel instrumenten verplaatst, verbouwd en onderhouden maar weinig nieuw vervaardigd. Het is juist deze overgangsperiode die zou kunnen ingevuld worden met een orgel zoals in Ten Eikenen
Alle Luikse kenmerken zijn nog aanwezig maar toch wijzen bepaalde registers in de richting van de komende romantiek.
Kenmerkend is hier het verminderen van de mixtuurkoren , het disponeren van diskant achtvoetsregisters die een kleurrijke solo kunnen vertolken of een aanvulling zijn van de grondtoon van het plenum.
De bourdon van het hoofdwerk produceert een stevige warme basfond die later zo typerend is voor de romantische orgels.
Een orgel klein in gestalte maar stevig van geluid en verscheiden in klankkleuren en mogelijkheden.
