Smets orgel in de Sint-BernarduskerkTombeek - Overijse |
| Bourdon 8’ | Cornet IV |
| Prestant 4’ | Doublette 2’ |
| Flûte 4’ | Fourniture III |
| Trompette Bas | Trompette Sup. |
| Tremblant | Tacet |

Het klavier zonder pupiter, met zicht op het wellenraam
De originele pupiter gaf ons een indicatie van de opstelling van het wellenraam, namelijk licht naar achter hellend. Vermits de hoogte tussen klavier en windlade in Tombeek beperkt is, werden de wellen in ijzer (i.p.v. in eik te Wilsele) gemaakt. Het wellenraam is in eik en de ijzerwellen zitten gevat tussen ongevoerde eiken dokken en draaien met een messing pen. De armpjes zijn eveneens in gesmeed ijzer.
De registermechaniek is vernieuwd naar oud voorbeeld, deze loopt vanaf de knop via eiken walsen en gesmede ijzerarmen naar zijdelings gelegen balansen in ijzer tot aan de sleep.
Het instrument te Tombeek bezat vroeger een klein centraal opgesteld 13-tonig pedaaltje, getuige een uitsparing in de kastvoet. Om de bruikbaarheid te verhogen werd een nieuw 27-tonig aangehangen pedaal geplaatst.
![]() |
De cornet achter het front
De afmetingen werden bepaald aan de hand van kraslijnen in de kast.
De uitvoering volgens het oude voorbeeld te Wilsele.
De lade heeft volgende kenmerken:
Opstelling van de registers op de lade vanaf het front:
Cornet IV, Prestant, Bourdon, Flûte, Doublette, Fourniture, Trompette.
Opstelling cancellen: e³ <> C Cis <> f ³

De windlade met de conducten, voor de plaatsing van het pijpwerk
Ook de volledige windvoorziening werd nieuw gemaakt. De eiken balg met één inslaande vouw staat samen met de ventilator en de gordijnwindregelaar achter het orgel onder de oude doksaalvloer, bereikbaar via twee grote luiken. Vanaf de tremulant hebben de eiken windkanalen dezelfde maat als de windkanalen van Wilsele. De inliggende tremulant is uitgevoerd naar Dom Bedos, namelijk een schuinliggende klep met stalen veer en loodgewicht.
De winddruk bedraagt 74 mm WK.
Algemeen.
Het overgrote deel van het oude pijpwerk was bewaard gebleven. Ontbrekend pijpwerk werd bijgemaakt in de stijl van het oude of naar voorbeeld van Wilsele.
Kenmerkend en tevens het grootste probleem was de geringe wanddikte. Blijkbaar had de pijpenmaker slechts beschikking over enkele dunne metaalplaten van 0,5 tot 0,8 mm, waardoor het pijpwerk later zeer vlug werd beschadigd. Ook een gevolg daarvan waren de talrijke slordige soldeernaden die lekten. Restauratie bestond dan ook in het uitblutsen en verstevigen van de zwakke plekken die vooral aan de pijpmonden voor problemen zorgden. Het loden front was iets steviger van materiaal en ook duidelijk beter van factuur. Het is dan ook niet onmogelijk dat dit van de hand van een andere pijpenmaker is.
Het mensuurverloop van het binnenwerk maakt bovendien onregelmatige en onlogische sprongen die wijzen op een eerder amateuristische aanpak van de maatvoering.
Het houten pijpwerk was in vrij goede staat, enkel de opsneden dienden te worden verlaagd. De stoppen kregen nieuw leder en handgrepen voor het stemgemak.
Beschrijving per register.
Cornet IV : nieuw, hoewel in de oude kast geen directe sporen waren van oude Cornetbanken werd geopteerd voor de plaatsing van een nieuw exemplaar volgens de mensuren van Wilsele. Deze Cornet werd opgebankt achter het front aan de buitenzijden.
Prestant 4’: C tot c’ in het front in lood met tinfolie zonder baarden. Binnenwerk zeer dunwandig . Bepaalde frontpijpen gaven een indicatie voor de originele opsneden en de toonhoogte.
Bourdon 8’: C tot fis°: eik met perkamentversteviging, rest dunne metalen gedekten met verschuifbare hoeden, opsneden dienden te worden verlaagd.
Flûte 4’: C tot E hout, vanaf F tot Gis metaal gedekt, van A tot h’ Roergedekt, vanaf c² spitsgedekt . Deels opsneden verlaagd, deels uitgelengd.
Doublette 2’: grootste met baarden, zeer dunwandig. Vrij eng in de laagte, wijder in de hoogte.
Fourniture III: nieuw, de samenstelling werd afgeleid van bewaard gebleven roosterboringen te Wilsele, mensuur volgens de Doublette. Samenstelling:
| C | 2/3 | 1/2 | 1/3 |
| Gis | 1 | 2/3 | ½ |
| cis° | 1 1/3 | 1 | 1/3 |
| cis’ | 2 | 1 1/3 | 1 |
| cis’’ | 2 2/3 | 2 | 1 1/3 |
| gis’’ | 4 | 2 2/3 | 2 |
Trompette 8’: gedeeld in bas en diskant en volledig oud. Loden bekers met blikken onderstuk, de dunne stevels werden van een verstevigingsring voorzien, enge mensuur en dunne tongen, snavelvormige lepels, verende ijzeren stemkrukken. Alle bekers werden uitgelengd, hier en daar werden tongen vernieuwd. De laagste vier bekers werden gekropt.

Overzicht van het binnenwerk zonder de trompet
D’Hondt wijzigde de klank en de toonhoogte op verschillende manieren die gemakkelijk te detecteren waren.
De toonhoogte was verhoogd door het insnijden van expressions (Doublette en front) of het afsnijden van het pijpwerk. Er waren ook veelvuldig opsneden verhoogd, met eveneens een stijging van de toonhoogte als gevolg. Gelukkig waren er in alle registers enkele tonen ongewijzigd gebleven. Deze konden ons een indicatie van de originele intonatie geven. De klank was verder nog verzwakt door het systematisch dichtkloppen van de voeten.
De toonhoogte bleek na het dichtmaken van de expressions bij front en Doublette rond 415 Hz te liggen, het houten pijpwerk vertoonde nog de aftekening van de originele stopstand.Ook hier kwamen we rond
415 Hz uit.
Ook wat betreft de intonatie was het duidelijk dat D’Hondt had ingegrepen. Door het toevoegen van kernsteken en het verhogen van vele opsneden was de klank een vage schim van de originele. Geleidelijk aan kwam tijdens het intonatieproces het oude geluid weer tevoorschijn. Wanneer we het herboren orgeltje vandaag beluisteren, valt op hoe fris en archaïsch het klinkt. We horen absoluut nog geen romantiek maar nog de volle lichtvoetige 18de-eeuwse Rococo.
De voortreffelijke akoestiek van de kleine dorpskerk reflecteert perfect de zangerige klank van de prestant 4’en de dunne, frêle Bourdon 8’.
Paradoxaal genoeg is de grote zwakheid van het orgel ook de grote troef: door de dunwandigheid van de pijpen brengt de grote corpusresonantie deze unieke doorzichtige klank voort.
De Doublette, in de diskant wat ronder, vult eerder nasaal de hoogte aan en versmelt daardoor ook goed met de Fluiten.
De Fourniture vervolledigt het prestantenplenum meer kwinterend dan scherp.
Zeer typisch klinkt de fluit 4’, mild in de bas wordt ze in de hoogte meer belijnd maar toch minder sterk dan de barokfluiten.
De Trompet klinkt eerder dun en helder niet overdreven luid maar wel een goede basis voor het Grand Jeu.
Hoewel een late barokstemming niet onmogelijk zou zijn, werd in overleg geopteerd voor een moderne gelijkzwevende stemming.

Detail van klavier en mechaniek

Zicht op het pijpwerk
Van rechts naar links:
Het front, de opgebankte cornet met eronder de rest van de prestant, de bourdon (deels grote houten, deels metalen gedekten), de flûte, de doublette en de fourniture

Dossier: Ontwerpbureau Spectrum n.v. o.l.v. Jos Roux (Hasselt)
Orgeladvies Spectrum: Alain Arnols (Borgloon)
Orgeladvies M & L: Antoon Fauconnier.
Restauratie Jos Moors Orgelbouw
in samenwerking met H. De Backer.