Orgel Leut Pereboom en Leijser 1879Restauratie 2007 |
mm |
C |
c° |
c’ |
c’’ |
c’’’ |
Montre 8 |
hout |
86 |
52 |
31 |
21 |
Bourdon 16 |
hout |
hout |
hout |
48 |
33 |
Bourdon 8 |
hout |
hout |
47 |
33 |
21 |
Prestant 4 |
79 |
44 |
28 |
18 |
11 |
Gamba 8 |
86 |
54 |
31 |
19 |
12 |
Doublette 2 |
48 |
30 |
20 |
13 |
9 |
Enkele (uitwendige) mensuren van het Positif:
Mm |
C |
c° |
c’ |
c’’ |
c’’’ |
Bourdon 8 |
/ |
/ |
48 |
33 |
21 |
Salicional 8 |
95 |
59 |
33 |
20 |
13 |
Mélophone 8 |
/ |
42 |
26 |
16 |
11 |
Flûte 4 |
68 |
44 |
30 |
27 |
17 |
Enkele (inwendige) mensuren van het houten pijpwerk:
Mm |
C |
c° |
c’ |
Montre 8 |
128x110 |
/ |
/ |
Bourdon 16 |
174x198 |
95x112 |
58x68 |
Bourdon 8 GO |
115x99 |
70x58 |
/ |
Bourdon 8 Pos |
116x100 |
70x59 |
/ |
De huidige toonhoogte is exact gelijk aan de originele en bedraagt
437 Hz voor a’ bij 16° C. De stemming is gelijkzwevend.
Algemeen wordt in orgelmiddens aangenomen dat de orgelklank in de tweede helft van de 19 de eeuw steeds zachter en grondtoniger wordt , eigenaardig is dan wel dat de bekende 19 de e organoloog Gregoire de orgels van P&L roemt om hun krachtige ronde klank en hun kleurrijke registers.
Op het vlak van registersamenstelling zien we wel een evolutie naar meer grondtonigheid, met meer acht- en zestienvoetsregisters en minder mixturen. Wat we wel leerden uit deze restauratie is dat bij Pereboom &Leijser de intonatiemethode klassiek ambachtelijk blijft doorgaan.
Dit Pereboom-Leijser-orgel uit 1879 klinkt inderdaad romantisch, maar zeker niet flauw of stroperig. Er zijn grote frontpijpen waar geen enkele kernprik in terug te vinden is. Ook bij de gaaf bewaarde grotere strijkers kunnen we zien dat men zeer spaarzaam omsprong met kernsteken. Uit ervaring wist men maar al te goed dat deze ingrepen heel veel kostbare wind verbruiken. Pas later, aan het begin van de 20ste eeuw, wanneer groot windverbruik geen probleem meer is, zal men (standaard bij de fabrieksproductie) onbeperkt kernsteken, en zogenaamde zaagranden toepassen in de kernrand. Vooral bij romantische orgels worden deze later toegevoegde ingrepen ten onrechte aan de oorspronkelijke bouwers toegeschreven.
In dit orgel konden de latere intonatie-wijzigingen na grondig onderzoek duidelijk worden onderscheiden van het originele werk.
Door het goed bewaard blijven van de originele pijplengten en de originele intonatie van enkele registers werd zorgvuldig dit oude klankbeeld terug opgezocht. Dit laat zich omschrijven als karaktervol en present in de ruimte, zonder gespannen te klinken, zeer grondtonig in de dispositie, maar zeker met voldoende boventonen in de klank.
De diversiteit in de strijkers is echt wel uitzonderlijk te noemen voor een instrument van deze beperkte grootte. De Gamba is de krachtige snedige strijker met fond, de Salicional zijn zachtere en rondere vrouwelijke tegenhanger. De melophone is heel karakteristiek en klinkt door de sterke octaaf boventonen haast als een regaalachtig soloregister van het positief.
De beide bourdons zijn qua bouw identiek maar door hun opstelling klinken ze totaal anders.
De romantische trompet is rond en krachtig en nooit schraal of scherp. De verschillende plena en vooral het bijzonder grondtonige klanktapijt bij gebruik van de suboctaafkoppel is voor die tijd echt wel vooruitstrevend te noemen..
Hopelijk blijft dit orgel nog lang de romantische schoonheid doorgeven die wij erin konden ontdekken.

Alhoewel de zijbespeling visuele voordelen biedt voor de organist, zijn de nadelen voor de inrichting van de speelmechanieken groot.
Sommige kleppen bevinden zich op een kleine 2 m van de toets, terwijl andere er vlak bij staan. Deze bouwers lossen dit probleem op door het gebruik van de versmalde onderkast. Hierdoor blijven de mechanieken toch min of meer symmetrisch , en blijft het toucher-verschil tussen C en Cis lade beperkt.
Een ander nadeel wordt pas met de jaren duidelijk namelijk door de puntbelasting in het midden van de doksaalvloer hebben deze orgels meer te lijden van plaatselijke verzakkingen.
In Leut was mede door een zwakke roostering in de buurt van het klokkenluik vooral de achterzijde in het midden verzakt.
De toestand voor de restauratie leek voor de rest in eerste instantie echt wel mee te vallen. Het houtwerk verkeerde in betrekkelijk goede staat en er was op het eerste zicht nauwelijks beschadigd metalen pijpwerk te bespeuren..Voor een Pereboom en Leijser orgel was vooral dat laatste eigenlijk wel uitzonderlijk te noemen (zie orgelkunst) . Het orgel speelde nog, zij het vermoeid, zwak en windziek
Het instrument werd volledig ontmanteld, de kast en het grotere pijpwerk bleven ter plaatse.
De windlade en de windvoorziening werden stevig onder handen genomen, eigenlijk bijna een standaard procedure.
De kast werd inwendig voorzien van grenen beplanking tegen de onbedekte zijmuren, bepaalde kastdelen werden nieuw vervaardigd en of terug samengesteld uit verzaagde stukken. De kast werd gereinigd en ontdaan van een niet-originele protserige glanzende vernislaag.
De ruime dubbele magazijnbalg werd na restauratie een halve slag gedraaid achter het orgel zodat onderhoud van de mechanieken veel eenvoudiger werd.
De originele windaanleg was een eerste teer punt waarschijnlijk te wijten aan bovenvermelde gebruikelijke recordmontagetijd.
Klaarblijkelijk werden destijds alle onderdelen mooi klaargemaakt in het atelier met uitzondering van de windaanleg. Door een ter plaatse geïmproviseerde aanpak kreeg de C-lade te weinig wind. In oorsprong was de balg verbonden met een smalle collector die tussen de laden en rond de kantelarmen van de registertractuur was gebouwd.
Deze collector bezat vooral aan de C-kant een geweldige vernauwing met dubbele haakse bocht. In de nieuwe toestand werd de aanleg van Grote Spouwen als voorbeeld genomen zo krijgen beide ladehelften eenzelfde ruime windtoevoer via de buitenzijden van de hoofdwerkkleppenkasten.
Toen de originele balggewichten terug hun plaats kregen op het balgblad resulteerde dit in een winddruk van exact 85 mm WK.




