Kortessem - Sint Pieter.
VoorgeschiedenisHet verhaal van het nieuwe orgel begint eigenlijk in 1939 bij de afbraak van het unieke en uiterst waardevolle Clerinx-orgel uit 1845. Een van de grootste en mooiste instrumenten ooit gebouwd in limburg. Deze onvergeeflijke afbraak kaderde in de toenmalige visie van wat een kerkrestauratie moest inhouden. Het voormalige Pels-orgel uit 1940 opgesteld rond het zuiderraam. |
| Hoofdwerk I (C-g'") | Positief II (C-g'") |
| Montre 8' | Houtfluit 8' |
| Gamba 8 | Gamba 8 |
| Bourdon 8' | Bourdon 8' |
| Prestant 4' | Prestant 4' |
| Fluit 4' | Fluit 4' |
| Nasard 2 2/3' | Nasard 2 2/3' |
| Oktaaf 2' | Doublette 2' |
| Mixtuur IV | Terts l 3/5' |
| Cornet IV | Kwint 1 1/3' |
| Trompet 8' | Trompet 8' |
| Bazuin 16' | Hobo 8' |
| Trompet 4' | Subbas 16' |
| Tremulant | Basfluit 8' |
| Wind | Oktaaf 4 |
| Ped + I | Ped + II |
Schuifkoppel Hoofdwerk + Positief
De vetgedrukte registers spelen op het hoofdwerk of het positief.
Winddruk klavier 75 mm WK, pedaal 85 mm WK
De toetslatten met aspunt achteraan hangen via een dubbelzijdig wellenraam rechtstreeks aan de kleppen. De kleppen van het hoofdwerk met aanhangpunt vooraan, de kleppen van het positief staan omgekeerd.
Het wellenraam brengt dus via brede ijzeren assen (wellen) de beweging van de toets over naar de kleppen in de windlade. (zie afb)
De verticale verbindingen tussen toets en klep (abstracten genaamd) zijn in eik, met aan de toetszijde een lederen lus. De bedrading is in messing en de toetsen zijn regelbaar dmv. een harde ledermoer.
Klavierschuifkoppel eveneens regelbaar d.m.v. ledermoeren, pedaalkoppels naar hoofdwerk en positief onder het klavier met bewegende balansarm in eik. De pedaalmechaniek duwt de klavierverbinding omhoog zodat er tijdens het klavierspel geen overbodige beweging is.
De pedaalbeweging loopt via de verende eiken balans naar onderen en naar het op het grondrooster liggend wellenbord. Dit wellenbord bedient een dubbelklep via een winkelbalk.
De registermechaniek.
Vanuit de in taxushout gedraaide knoppen en eiken vierkante registertrekkers wordt de trekbeweging via massief stalen walsen op een eiken bank overgebracht naar stalen balansarmen opgesteld tussen de twee lades. Deze bedienen op hun beurt de slepen.
Bij de enkelvoudige registers is de beweging van de sleep 20 mm, bij de wisselregisters is de beweging 16 mm links of rechts, met een neutrale stand tussenin.
De overbrenging van de drie vooraan gelegen registers gebeurt zijdelings omdat het wellenraam rechtstreekse toegang onmogelijk maakt.
De wisselregisters hebben een dubbele mechaniek die in staat is de tegenoverliggende knop uit te schakelen.
De pedaalregisters worden bediend via 2 ijzerwalsen tot boven de pedaalslepen. De sleepbeweging bedraagt hier
30 mm.

De windlade is het hart van het orgel. Via een combinatie van kleppen en slepen bepaalt de organist welke pijpen zullen spreken. Aan de windlade komen alle functies bij mekaar: de toets- en registermechaniek, de wind en het pijpwerk.
Dit orgel bevat vier windladen: twee voor het manuaal en twee voor het pedaal. Deze windladen zijn volledig vervaardigd uit uiterst droog eerste keus massief eikenhout. De winddichtheid van de slepen wordt verzekerd door viltringen. De kleppen zijn uitneembaar en dubbel beleerd met lamsleder. De slepen werden zeer glad afgewerkt en gegraffiteerd om een soepele beweging van de registerknoppen mogelijk te maken.
In de klavierlade wisselt een Positiefcancel (kanaal) telkens af met een Hoofdwerkcancel. De boringen van de zes wisselregisters werden zo uitgevoerd dat de sleepbeweging naar links of rechts bepalend is voor de klavierkeuze. Dit systeem vergt een uiterst precieze uitvoering van lade en registermechaniek, maar vergroot de mogelijkheden van het orgel aanzienlijk. Om de breedte van de lade (en van het orgel dus) enigzins te beperken werden de cancellen van het positief iets smaller genomen dan deze van het hoofdwerk. Om de pijp toch altijd gelijk te laten klinken op het ene of het andere klavier werden indien nodig windregelpennen gelijmd in de pijpstok.
Honderdvierentwintig grote orgelpijpen staan niet rechtstreeks op de lade maar werden afgeleid naar het front of een verhoogde bank. Deze pijpen krijgen wind via een loden windleiding of conduct. Alle conducten zijn van orgelmetaal (95 %Pb, 5% Sn )en werden langs binnen- en buitenzijde gevernist. Ze werden ingelijmd met hennepvezel en verdunde lijm.
De voorslagen die de kleppenkasten afsluiten zijn opliggend en worden vastgehouden door ijzeren haken.
Voor het bepalen van de maten van de pedaallades werd uitgegaan van de mensuren van de basfluit 8. Elke pedaaltoon heeft een dubbelklep, een voor de registers Subbas 16, Basfluit 8 en Octaaf 4 en een voor Bombarde16 en Trompet 4.

Het orgel bevat in het totaal 1.248 pijpen, 190 ervan zijn volledig in hout de overige in metaal, allen zeer verscheiden in grootte en bouwwijze. De langste is de grote C van de Bombarde (4.80 meter). De kleinste is de hoge g'" van de Kwint (corpus 5 mm). De zwaarste pijp is de lage C van de Subbas (+/- 35 kg ). De 45 frontpijpen werden vervaardigd in een legering met 85 % tin en werden gepolijst. Het metalen binnenpijpwerk bestaat voor 95% uit lood. Het houten pijpwerk werd vervaardigd uit eik en/of grenen (het oude materiaal). Voorslagen, voeten, kernen, handgrepen in eik. De voorslagen van alle nieuwe houten pijpen werden opgelijmd met papieren onderleg.
Een deel van het pijpwerk is oud. Het betreft stevig midden 19de eeuws pijpwerk van goede makelij. Dit pijpwerk was relatief ongeschonden en bezat een heel zachte intonatie, een kleine voetopening, lage opsnede en een beperkte kernbeschadiging. Integratie in het nieuwe instrument was mogelijk mits een grondige herintonatie. De oude houten pijpen kregen een grondige oppervlaktebehandeling tegen houtworm alle beledering werd vernieuwd.
Manuaallade , opstelling vanaf het front:
Pedaallade:
De ventilator staat opgesteld rechts onderin het podium in een geluiddempende kist. Van daaruit vertrekt de wind naar de centraal gelegen pedaalbalg. Vanuit deze balg vertrekt de wind verder naar de pedaallade en naar de manuaalbalg. De windkanalen en het tremulantkastje zijn gemaakt in ceder. De gordijnwindregelaars, de balgkisten, kaders en bovenbladen in eiken, de balgspanen in grenen. De klavierbalg produceert een winddruk van 78 mm waterkolom ( 88 mm voor het pedaal). Deze windvoorziening met twee balgen in serie verbonden verzekert een heel rustig ademende en stabiele wind.
Beide balgen werden inwendig bezet met geluiddempend materiaal. Vanaf de manuaalbalg wordt de wind via de tremulant (centraal onder het klavier) geleid naar een grote dwarscollector van waaruit beide klavierwindladen worden bevoorraad. Alle kanaalvoegen en verbindingsstukken werden winddicht gemaakt met geschalmde lederstroken.
De tremulant is een schuinliggende klep in het windkanaal, op deze klep hangt een verend gewicht. De klep is in eik, de bedieningsbeugel in ijzer.
Detail van de dubbele toetsmechaniek en de pedaalkoppels onder het klavier.

Door enerzijds zes registers op het ene of het andere klavier te laten spelen en anderzijds oud pijpwerk voor het pedaal te recupereren, kon met een beperkt budget toch een middelgroot klankvol orgel worden gerealiseerd.
Door op elk klavier enkele basisregisters vast te disponeren kon de onafhankelijkheid van de twee werken worden bewaard. Door de aanwezigheid van een klavierkoppel en de twee pedaalkoppels worden de mogelijkheden van ondermeer het plenumspel aanzienlijk uitgebreid.
De intonatie of klankgeving van het pijpwerk gebeurde volledig in de kerk met uitzondering van de voorintonatie van de tongwerken. Hierbij werd per register speciale aandacht besteed aan de klankbalans van het pijpwerk onderling en in samenspel met de andere registers, alsook de specifieke functie of aanvulling voor de verschillende plenumregistraties. Een evenwicht tussen helderheid en grondtoon met speciale aandacht voor de versmelting van de verschillende registerfamilies. Een bijkomende uitdaging was de regulering van het windverbruik vooral in de laagte, er zijn immers niet minder dan 4 achtvoetslabialen die gelijktijdig kunnen klinken.
We hebben getracht om de verschillende registers een evenwaardigheid te geven in draagkracht en karakter. Zo werd gelet op de evenwaardigheid van de Houtfluit 8 als tegenhanger van de Montre, de Prestant 4 tegenover de Fluit 4. Elk register met zijn eigen specifieke solokarakter en kleur; de heldere zangerige Montre tegenover de heel ronde Houtfluit. De neuriënde donkere Bourdon tegenover de fijn strijkende Gamba.
De pedaalopstelling in de kastvoet werd ter bevordering van de basresonantie bewust nogal gesloten uitgevoerd. Enkel de boven het loopvlak is de achterwand deels opengewerkt .
Bij de tongwerken werd speciale aandacht besteed aan de stemvastheid, de rondheid van de klank en de directe aanspraak. De Bombarde is door zijn volledig houten uitvoering niet te overdonderend maar mengt zich goed in het plenum.
